De lafheid van de straatvechter
Hoe weerlozer het slachtoffer, hoe ernstiger het geweld
Totaal door het lint gaan heeft zelden te maken met gekrenkte eer of sociale frustratie, wel met zucht naar sensatie en dominantie. Als de dader familie bij zich heeft, is de kans op tomeloos geweld juist groter.
Het is soms misselijkmakende lectuur, de verklaringen van daders waaruit socioloog Don Weenink citeert. Hij analyseerde een steekproef van 150 justitiedossiers van straatgeweld in Nederland, in de jaren 1995 en 2005, met daders van hoogstens 18 jaar oud.
‘Ik zag dat die knul nog niet op de grond lag. Ik liep naar hem toe en gaf hem een elleboogstoot in zijn gezicht. Dat deed ik omdat ik rotzooi wou trappen met mijn vrienden. Toen hij neer ging, zag ik dat (…) hem volkomen in elkaar begon te slaan. Ik was er van onder de indruk hoe hard en snel dat ging.’
Frenzied attacks, noemt Weenink deze vorm van geweld, doldrieste aanvallen, ofwel: totaal door het lint gaan. Het gaat dan bijvoorbeeld om aanvallers die tegen het hoofd van een kermend, op de grond liggend slachtoffer aan blijven trappen totdat ze te moe zijn om door te gaan. Soms staan de vrienden of familieleden van de dader vol afgrijzen toe te kijken zonder dat ze ingrijpen.
Dat die toekijkers er zijn is geen toeval: frenzied attacks worden niet gepleegd door gestoorde eenlingen, de daders weten dat ze gesteund worden door een groep die de overmacht heeft. Straatgeweld wordt in films en tv-series vaak afgeschilderd als een bijna sportieve krachtmeting tussen twee gelijkwaardige groepen. De praktijk is volgens Weenink anders: 'Een eerlijk gevecht is iets wat heel weinig voorkomt.'
Geprovoceerd, gediscrimineerd?
De oorzaken van 'zinloos' geweld worden tot vervelens toe gezocht in de persoonlijke achtergrond van de dader. Slechte jeugd, ouders met losse handjes, zich afgewezen, geprovoceerd of gediscrimineerd voelen, de excuses liggen voor de advocaten voor het oprapen. Weenink verdiepte zich niet in die persoonlijke achtergronden, maar analyseerde het groepsproces dat tot zulk extreem geweld leidt.
Het is niet ongewoon dat een dadergroep, onder het innemen van veel drank uiteraard, elkaar de hele avond al zit op te juinen dat ze iemand in elkaar gaan slaan, en ze scheppen daar ook achteraf graag over op. Dit gedrag geldt onderling als 'stoer', hoewel ze altijd een kleinere groep of een eenling als slachtoffer uitkiezen, zodat ze zelf vrijwel geen risico lopen.
Weenink: 'De aanleiding is meestal een vergezochte of totaal verzonnen provocatie, bijvoorbeeld dat het slachtoffer bier over ze heen gegooid heeft. Dat geeft ze zogenaamd het recht om te straffen.'
Zo'n confrontatie kan beperkt blijven tot min of meer gecontroleerd groepsgeweld, totdat een van de groepsleden in een mentale tunnel terecht komt waarin hij volledig door het lint gaat en ook voor zijn eigen vrienden niet meer aanspreekbaar is. Ook zelf begrijpen de daders het achteraf niet. Weenink: 'Zo hard mogelijk trappen, slaan, pijnigen, het is echt vernietigingsdrang. Je leest opmerkelijk vaak uitspraken als “Ik wilde hem kapot maken.”’
Opmerkelijke risicofactoren
Uit de statistische analyse van de 150 dossiers kwamen twee opmerkelijke risicofactoren naar boven voor 'totaal door het lint gaan'. Ten eerste is die kans groter als de ondersteunende groep familieleden bevat (broers, neven, of zelfs de vader). Een frenzied attack is namelijk een groepsproces en, aldus Weenink, 'Hoe meer solidariteit, hoe ernstiger het geweld.'
De tweede risicofactor is mogelijk nog verrassender, namelijk een slachtoffer dat 'neer' gaat. Je zou verwachten dat dit juist natuurlijke remmingen op geweld in werking zet, maar het tegendeel blijkt waar. Als iemand na een paar klappen languit op de grond terecht komt, is de kans zeer groot dat bij een of meerdere groepsleden alle stoppen doorslaan.
Het idee dat daders van een frenzied attack niet meer weten wat ze doen, is dat geen godsgeschenk voor een advocaat? Meneer was toen immers ontoerekeningsvatbaar? 'Dat vind ik een heel lastig punt,' erkent Weenink. 'We kijken in het recht erg naar individuele daders, maar groepsprocessen zijn hierbij heel belangrijk. In die tunnel zijn ze niet meer tot rede te brengen, maar ze hebben zich wel zelf in die tunnel begeven.'
Het feit dat degene die door het lint gaat, daar een 'ondersteunende groep' voor nodig heeft, werpt misschien ook nieuw licht op het begrip medeplichtigheid? Weenink: 'Daar moet ik nog over nadenken, maar ik zou er ook graag eens over praten met rechters. Bij de schuldvraag gaan die er nu sec vanuit: wie heeft wat gedaan? Maar als er drie staan te schoppen, staan er nog vier of vijf uit hun ondersteunende groep toe te kijken.'
Frenzied attacks. A micro-sociological analysis of the emotional dynamics of extreme youth violence, Don Weenink, The British Journal of Sociology, 9 oktober 2014.


reacties