Overijsselaren toch geen barbaren

Stukje staal geeft de doorslag

Een figurant doet een Germaanse ijzersmid na op een open dag in Heeten. (ADC Archeoprojecten, PR)
Zoom
Een figurant doet een Germaanse ijzersmid na op een open dag in Heeten. (ADC Archeoprojecten, PR)

Een eeuwenoud stalen dreveltje uit het Overijsselse dorpje Heeten zorgt voor een kleine sensatie in de archeologie. Het voorwerp lijkt te bewijzen dat er in de nadagen van de Romeinse tijd bij Raalte op zeer geavanceerde wijze ijzer werd gemaakt. Was Overijssel het Silicon Valley van de Oudheid?

Het gebeurt niet iedere dag dat een roestig stukje staal van amper zes centimeter lang voor zoveel opwinding zorgt. “We konden het eigenlijk eerst niet geloven,” vertelt archeoloog en metaalexpert Matthijs van Nie. “Maar het is echt Laat-Romeins, geen twijfel over mogelijk. En het is ook niet door grappenmakers in de grond gestopt.” Het stukje metaal waarover Van Nie het heeft, is een dreveltje dat in de vierde eeuw na Christus werd gebruikt om metaal te bewerken. Jaren geleden kwam het boven water bij een opgraving op een industrieterrein bij Heeten, gemeente Raalte. Wat het stukje ijzer naar nu blijkt zo bijzonder maakt, is het koolstofgehalte: zeker 2 procent. Daarmee is de vondst zoiets als een klopboor vinden in een middeleeuwse gereedschapskist, betogen Van Nie en zijn Britse collega Evelyn Godfrey in een archeologisch vakblad. Algemeen wordt namelijk aangenomen dat de Europeanen de kunst van het verharden van ijzer met koolstof pas in de loop van de Middeleeuwen onder de knie kregen. Dat de ‘barbaarse’ Germanen het in de vierde eeuw na Christus al konden, is haast onvoorstelbaar, vindt Van Nie. IJzer 'stalen' is immers een zeer ingewikkeld proces, dat alleen bij uitgekiende temperatuur en luchttoevoer lukt. “Maar deze jongens wisten precies wat ze moesten doen. Ze moeten er met hun eenvoudige middelen verschrikkelijk intensief en doelbewust mee bezig zijn geweest. Romeins ijzer komt niet eens in de buurt van deze kwaliteit.” In de nadagen van het Romeinse Rijk was er in Heeten een levendige gemeenschap van Germaanse boeren gevestigd. In de nabijgelegen moerassen lagen de klompen ruw ijzererts voor het oprapen, en de meeste boeren hadden dan ook kleine oventjes bij hun huis, waarmee ze simpele ijzeren voorwerpen en brokken ruw erts maakten. “Tegen het jaar 300 kwam daarin opeens verandering”, vertelt projectleider Henk van der Velde van het archeologisch bedrijf ADC Archeoprojecten. “Waarschijnlijk vestigde zich toen een of andere hoofdman in Heeten die erin slaagde meer greep op de ijzerproductie te krijgen. Tussen 280 en 350 na Christus produceerde men in Heeten een ongelooflijke hoeveelheid ijzer. Ook naar Europese maatstaven was de productie gigantisch. Op bijna industriële wijze ging men te werk, met hele batterijen ovens. Daarbij ging ook de kwaliteit omhoog. Waardoor het haast echt staal werd.” Bij de ijzerproductie wordt een klontje ijzererts in een oventje verhit totdat alleen het ijzer overblijft. Het eigenlijke smeden van ijzeren voorwerpen gebeurde wellicht elders. “Het beeld dat men altijd heeft is dat er ten noorden van het Romeinse Rijk alleen maar wat barbaren zaten,” vertelt Van der Velde. “Maar in werkelijkheid was er een korte periode met ontzettend veel rijkdom. Bij Heete maakte men ijzer. Verderop deed men wellicht aan hout, of aan slaven. Er zat daar een rijke elite, die in staat was tot een zekere mate van arbeidsdeling te komen.” Overijssel was niet de enige plek in Noord-Europa waar op grote schaal ijzer werd vervaardigd, maar voor zover bekend wel de meest technologisch geavanceerde, stelt Van Nie. Elders in Europa zijn ook wel stukjes staal gevonden, maar in de regel gaat het om afval, of om toevalstreffers. “Deze drevel getuigt van een heel doelbewust, planmatig productieproces. Hoe ze het wisten? Ik heb geen flauw idee. Maar dat ze begrepen hoe het moest, staat vast.” De kunst van het ‘stalen’ van ijzer met koolstof is volgens de geschiedenisboekjes ontwikkeld in India en Azië. Dat gebeurde echter met heel andere technieken dan in Overijssel, weet Van Nie. Het lijkt dus uitgesloten dat de inwoners van Heeten hun ambacht leerden van soldaten, reizigers of andere buitenstaanders. Hoe het Overijsselse staalimperium met hoog-technologische kennis en al ten onder is gegaan, weet niemand. Vast staat dat veel stammenvolkeren in de vierde eeuw na Christus zuidwaarts trokken, om het Romeinse Rijk onder de voet te lopen. Maar Van der Velde en Van Nie geloven niet dat daarmee het hele verhaal is verteld. Wellicht was er een economische of politieke crisis, wellicht lijfde het Romeinse leger veel staalmeesters in. “Op een gegeven moment waren die mensen alleen nog maar bezig met overleven. Dan maak je geen staal meer.” Het is gepraat achteraf, maar wie weet heeft het superieure ijzer uit Overijssel de geschiedenis nét een duwtje gegeven. “Ik ben niet zo iemand die denkt dat het Romeinse Rijk ten onder is gegaan aan één, geïsoleerde factor zoals loodvergiftiging,” zegt Van der Velde. “Maar als je zwaard net wat steviger is dan dat van je tegenstander, kan dat best iets uitmaken.” Maarten Keulemans Evelyne Godfrey, Matthijs van Nie: “A Germanic ultrahigh carbon steel punch of the Late Roman-Iron Age”. In: Journal of Archaeological Science, in druk.

reacties